Maart 2020

De granaatappel

Toen ik ooit in het hart van een granaatappel leefde, hoorde ik een zaadje zeggen:
‘Op een dag zal ik een boom worden en zal de wind zingen door mijn takken,
en de zon zal dansen op mijn bladeren, en ik zal mooi en sterk zijn in alle seizoenen.’
Toen sprak een ander zaadje en zei: ‘Toen ik zo jong was als jij, had ik ook zulke dromen;
maar nu ik kan wikken en wegen, zie ik dat mijn hoop ijdel was.’
En een derde zaad sprak ook: ‘Er is niets aan ons te zien dat de schijn van
een grote toekomst wekt.’
En een vierde zei: ‘Maar wat een aanfluiting zou ons leven zijn, zonder
een grotere toekomst!’
Zei een vijfde: ‘Waarom discussiëren we over wat we zullen zijn, wanneer we
zelfs niet weten wat we nu zijn.’
Maar een zesde antwoordde: ‘Wat we ook zijn, dat zullen we blijven.’
En een zevende zei: ‘Ik heb zo’n duidelijk idee hoe alles zal zijn, behalve dat ik
het niet onder woorden kan brengen.’
Toen spraken een achtste – en een negende – en een tiende – en vervolgens vele –
tot ze allemaal spraken en ik kon niets onderscheiden in de vele stemmen.
En dus verhuisde ik diezelfde dag naar het hart van een kweepeer, waar
de zaden schaars zijn en het bijna stil is.

 

© Kahlil Gibran
Vertaald door: Pamela Williams