Maart 2018

Een nagemaakte dageraad en wie daarin
te schijnen staat; de zon in die in mijn huis
opging, met wie, met wie en hoeveel malen.

Dat aantal, teller van de breuk waarin
ik leef – verlangen, ach, het vreemde ding
waarom ik zo onstuitbaar zing – , die breuk.

Eén mond, granaatappel die openbrak,
één mond tors ik het zwaarst in dit kunstmatig
licht aan deze zelfbedachte hemel,

Die mond (ik wist haar luisterrijk de mijne)
acht uur per dag in een of ander pand,
een trein die ik niet ken, een nieuwe stad –

o, weer half zeven, weer dit lege bed.
Een zekerheid is in hereniging;
als jou nu maar iets soortgelijks beving.

© Simon Mulder